programma


Kaartlezen

Wie z'n weg wil vinden door ongebaand terrein of in een onbekende omgeving, zal wat van kaart en kompas moeten weten. Hieronder zie je de kompasroos. Het noorden is de belangrijkste windrichting. De volgorde kun je onthouden door een simpel zinnetje: Nooit Op Zondag Werken (noord-oost-zuid-west). Tussen het Noorden en Oosten ligt het Noordoosten. Tussen het Noorden en het Noordoosten ligt Noord Noordoost. Noem altijd de belangrijkste windrichting eerst.

Wie onderweg is heeft een goed kompas nodig, zodat je de kaart op het Noorden kan leggen, zoals afgebeeld. De bovenkant van de kaart (kaartnoorden) is meestal op het Noorden georiënteerd. Het coördinatengrid (de vakken op de kaart) lopen dan Noord-Zuid en Oost-West. Een coördinaat is een plek op de kaart. Zo is coördinaat 70 - 2 de linkeronderhoek van het lichtgroene kaartvak. Een coördinaat lees je altijd eerst af op de horizontale as, dan op de verticale as.

Kaart en kompas

Met een kompas kan je een kompasroute lopen. De kompasroos telt 360 graden, waarbij het Noorden 0 of 360 graden is. Oost is 90 graden, Zuid 180 en West is 270 graden. Als je bijvoorbeeld op het kruispunt staat en je wilt richting het Noorden, neem je de weg op 335 graden. Ook kun je door middel van het opmeten van hoeken bepalen hoever je afwijkt van de ideale route, ofwel de kortste weg tussen A en B (een rechte lijn). Als je linksaf gaat op dit kruispunt, sla je dus 90 graden linksaf.

Bij een kaart hoort altijd een legenda. Hierop staat in ieder geval een Noordpijl en een verklaring van gebruikte tekens (in dit geval is roze een weg, de omgekeerde v-tjes in het lichtgroene kaartvak een naaldbos en de Y bij het kruispunt een ANWB paddestoel). Ook hoort bij de legenda een schaal, zodat je weet hoeveel centimeter op de kaart de afstand in werkelijkheid is. Zo betekent een schaal van 1:10.000 dat 1 centimer in het echt 10.000 centimer is. De topografische stafkaarten die we bij Scouting gebruiken hebben meestal een schaal van 1:25.000, ofwel 4 cm = 1 km. Ook staat er soms bij hoeveel de declinatie is, oftewel de afwijking tussen het geografische Noorden (de Noordpool) en de magnetische Noordpool (ergens onder Canada). In Nederland hebben we daar weinig last van, maar des te noordelijker je komt hoe meer je kompasnaald afwijkt.